Volumieke massaIndikatieve waarden in kg/m3, bij ongeveer 15% vochtgehalte. Er wordt vermeld tussen welke grenswaarden de handelspartijen gewoonlijk liggen. Het is niet uitgesloten dat de volumieke massa van een deel van een partij buiten deze limieten valt.Fig. 1 Het verloop van de adsorptie en de desorptie van een houtsoort: verband tussen relatief luchtvochtgehalte en evenwichtsvochtgehalte van het hout
![]() Zwellen en krimpen van houtDit zijn de vormveranderingen die het hout ondergaat in de radiale (r) en tangentiale (t) richting bij wijziging van zijn vochtgehalte, als de relatieve luchtvochtigheid van de omgeving verandert (zwellen bij stijging van het vochtgehalte, krimpen bij daling).
Eerste geval: buitenschrijnwerk
Tweede geval: binnenschrijnwerk Voor binnenschrijnwerk kunnen de opgegeven waarden in zeldzame gevallen overschreden worden: namelijk bij houtsoorten die zeer snel reageren op wijzigingen van de relatieve luchtvochtigheid en wanneer het vochtgehalte van de binnenlucht gevoelig hoger komt te liggen dan 60% r.v. (geen verwarming in de winter, uitzonderlijk vochtige zomer).
Werken van houtBedoeld wordt de volumeverandering van het hout, wanneer zijn vochtgehalte gewijzigd wordt.Om deze veranderingen kwantitatief uit te drukken, past men een berekeningsmethode toe, die steunt op de beoordeling van het krimpen en zwellen van het hout. Aangezien het hout vrijwel niet werkt in de lengterichting, zal hout met volume = 1, die in radiale (r) en tangentiale (t) richting zwelt, een volume hebben van 1 x ( 1 + r) x (1 + t). Aangezien (r x t) steeds te verwaarlozen is, zal de volumeverandering praktisch gelijk zijn aan (r + t). Dit is dus de maximale limiet die kan optreden bij een houtsoort die zeer snel reageert op vochtschommelingen van de omgevende lucht. Voor houtsoorten die langzamer reageren op deze vochtschommelingen zal de reële waarde voor het "werken" lager zijn dan (r + t). In het geval van buitenschrijnwerk, blootgesteld aan veranderingen van de relatieve luchtvochtigheid van 90% tot 60% en waarbij het "werken van het buitenschrijnwerk" hoogstens (r+t)90-60% zal bedragen en in het geval van binnenschrijnwerk, onderworpen aan schommelingen van de relatieve luchtvochtigheid van 60% tot 30%, en waarvan het "werken van het binnenschrijnwerk" hoogstens (r+t)60-30% zal bedragen, beschouwt men als a. het aspekt dimensionele stabiliteit van een stuk hout. Deze stabiliteit is groter naarmate: Deze stabiliteit is des te beter naarmate:
Vezelverzadigingspunt (afgekort v.v.p.)Dit is een theoretisch begrip, dat overeenstemt met het vochtgehalte op het moment waarop al het vrij water (dat de beschikbare ruimte inneemt tussen de cellen en erin) verdampt is, maar het gebonden water (dat de celwanden bij verzadiging doordrenkt) nog aanwezig is.Het vochtgehalte van een houtsoort bij het "vezelverzadigingspunt" is kenmerkend voor deze houtsoort. Al is er een zekere spreiding - zoals voor alle kenmerken van houtsoorten - toch kan men stellen dat het gemiddeld lager is voor houtsoorten met een hoge volumieke massa. Een v.v.p. > 32% wordt als hoog beschouwd. Een v.v.p. tussen 28% en 32% wordt als middelmatig beschouwd. Een v.v.p. < 28% wordt als laag beschouwd.
Evenwichtsvochtgehalte bij 90% r.v.Deze waarde geeft een aanwijzing voor het maximaal vochtgehalte dat een houtsoort, toegepast in buitenschrijnwerk, normaal kan bereiken. Bij het drogen van hout voor buitenschrijnwerk dient men in ieder geval tot een lager vochtgehalte te komen.
Inwendige spanningenInwendige groeispanningenIn de levende boom is het hout nooit vrij van inwendige spanningen. Het hout van de buitenste lagen van de stam is onderhevig aan trekspanningen, vergelijkbaar met de trekspanningen van de kabels (staggen) die de mast van een schip rechtop houden. Deze trekspanningen worden in evenwicht gehouden door drukspanningen in de centrale delen van de stam: zij zijn vergelijkbaar met de druk in de mast van het schip onder invloed van de trekkrachten uitgeoefend door de staggen.N.B. Deze drukspanningen zijn groter naarmate de boom dikker is. Ze kunnen ook scheuren veroorzaken in het hout van de centrale zones van zeer dikke bomen, waarvan het hout niet voldoende weerstand biedt (bv. TOLA-AGBA).
Bij de verzaging van de boomstam in plateaus, is het in de kwartiers verzaagde platen dat men de grootste verschillen zal aantreffen tussen de trek- en de drukspanningen.
|