|
|
Technische eigenschappen
Drogen
Bij de houtsoorten waarvan het drogen langzaam moet gebeuren of waar een grote kans bestaat dat er bij het drogen problemen optreden, wordt dit op de steekkaart vermeld.
Doel van het drogen: het versgekapt hout, na verzaging brengen tot een vochtgehalte dat overeenkomt met het gemiddelde evenwichtsvochtgehalte van zijn toekomstige toepassing.
Droogfouten: door de belangrijke vochtveranderingen die het hout tijdens het drogen ondergaat kunnen bepaalde verschijnselen optreden:
- vermindering van de afmetingen van de verzaagde stukken. Men dient er rekening mee te houden dat het verzaagd hout beantwoordt aan de kontraktuele bepalingen
- scheuren in het kopshout: dit is een gevolg van het feit dat het hout vlugger vocht verliest langs de dwarsvlakken (kopse vlakken) dan langs de langsvlakken
- inwendige scheuren: dit is het gevolg van het feit dat in de beginfase de oppervlaktelagen van het hout drogen en krimpen en de diepere lagen nog niet. Later veroorzaakt het krimpen van de diepere lagen, die omgeven zijn door hout dat al gekrompen is, inwendige trekspanningen die inwendige scheuren kunnen teweegbrengen volgens het vlak van de houtstralen.
- collaps: vervormingen door het samenklappen van de celwanden, veroorzaakt door een te brutale droging. Bij collaps gaat het hout een buitenmatige en onregelmatige krimp vertonen. Hieraan kan soms verholpen worden door het hout opnieuw te bevochtigen.
Specifieke raadgevingen
- Houtsoorten bestemd voor buitenschrijnwerk:
Opdat ze het meest stabiel zouden zijn, is het nodig deze houtsoorten te drogen tot:
In werkelijkheid is het echter dikwijls niet mogelijk om dit advies op te volgen; het kan trouwens niet fungeren als voorschrift voor bestekken.
In de praktijk wordt in de meeste gevallen gewoon vermeld: drogen tot (15 +/- 3)% vochtgehalte.
Deze aanwijzing moet ook niet geïnterpreteerd worden als een voorwaarde bij oplevering: men moet dikwijls soepeler zijn.
Men dient inderdaad rekening te houden met het feit dat sommige houtsoorten die langzaam of zeer langzaam drogen, zeer weinig werken. Bij deze houtsoorten kan men toelaten dat het vochtgehalte van het buitenschrijnwerk hoger ligt dan de algemeen voorgeschreven (15 +/- 3)% (in het bijzonder voor de stukken met een grote doorsnede), maar in dat geval dient men er tevens op te letten dat:
- het vochtgehalte van het hout geen problemen stelt bij de voorziene afwerking
- later optredende krimp en vervormingen het buitenschrijnwerk geen schade toebrengen.
- Houtsoorten bestemd voor binnenschrijnwerk: gewoonlijk volstaan de volgende aanwijzingen:
- schrijnwerkelementen bestemd voor woningen in aanbouw of nieuwbouw: drogen tot ca. (13 +/- 3)%
- schrijnwerkelementen bestemd voor gebouwen die reeds droog zijn:
- niet verwarmde ruimten: (13 +/- 3)%
- verwarmde ruimten: (11 +/- 3)%
In het geval van parket moeten vaak nauwkeuriger aanwijzingen gegeven worden, ondermeer om rekening te houden met het verwarmingssysteem.
N.B. Bij het drogen van vers gekapt hout, zullen vervormingen optreden. Vooral op dosse gaat het hout kromtrekken (hol trekken naar de zijde die het verst van de hart van de stam is gelegen). Deze vervormingen zullen belangrijker zijn, naarmate het verschil tussen tangentiale krimp en radiale krimp groter is. Het verschil t en r, tussen 90% - 60% rv (zie zwellen en krimpen van hout 5.2) geeft een goede indicatie hiervan.
Verwerken
De belangrijkste problemen die bij de bewerking van de houtsoort kunnen optreden worden vermeld:
- bewerking van abrasief hout vereist aangepast gereedschap
- pluizig hout of hout dat rijk is aan gommen, harsen of latex kan het gereedschap aanladen en vervuilen
- voor houtsoorten die gemakkelijk splijten bij het nagelen en schroeven, wordt vermeld dat voorboren aangeraden is.
Afwerking
- twee houtgebreken kunnen problemen geven bij de afwerking:
- uitvloeien van harsen
- pluizig hout, waardoor het soms moeilijk is om een glad oppervlak te bekomen
- voor buitenschrijnwerk: een beschadigd houtoppervlak (scheurtjes) stelt problemen
bij afwerking en onderhoud. Het is belangrijk om een kwaliteitsafwerking aan te
brengen en deze goed te onderhouden
- voor filmvormende afwerkingen (vernis of verf) dient men:
- vettig hout te onvetten
- houtsoorten met grove nerf te behandelen met een poriënvuller
- het is aangeraden een filmvormende of half-filmvormende afwerking (lakbeits = categorie CTOP van de Belgische Vereniging voor de Houtbescherming) aan te brengen:
- aan alle binnenzijden van buitenschrijnwerk
- op alle bereikbare delen die een verduurzamingsbehandeling gekregen hebben.
|